Je droomt? De deurbel blijft maar gaan, maar je slaapt nog. Dingdongdingdongdingdong. Je kijkt op de wekker. 5:32. Hè? Dingdongdingdong. Het is toch echt de deurbel. Dit is geen droom? Je sjokt naar onderen en ziet drie schimmen achter de deur staan. Je weet al genoeg. Zodra je de deur open hebt wordt datgene wat je toch verwachtte nog eens gezegd, en je barst in huilen uit. Terwijl je broers van de trap af komen gestommeld om te kijken waar het rumoer van af komt zak je in elkaar op de bank in de kamer. Maar je wil er nu toch wel heen, niet alleen naar mam, maar nog meer naar pap. Zodra je weer een beetje bij zinnen bent sjok je naar boven, trekt iets van kleding aan, mikt iets van gel in je haar en loopt weer naar onderen. De rest is ook al klaar, dus we kunnen. Met twee wagens rijden we naar het ziekenhuis. Jij rijdt in je eigen wagen, en het voelt bijna aan als je eerste achtbaanrit: totaal irreëel. Bij de opkomende zon, op een totaal verlaten snelweg ga je nadenken over de consequenties. En over het weekendje weg dat je had gepland voor vandaag.
Dan loop je het ziekenhuis in, als een filmachtige droom hoor je de tonen van Nelly Furtado door de grote hal heen galmen. Normaal kom je er alleen tijdens spreekuren en dan is het een drukste van jewelste. Nu is er alleen de portier, en kun je zo door lopen naar de lift. De lift uit gekomen weet je al zo waar je naar toe moet, en terwijl je naar binnen loopt stort je in.
Een half jaar geleden.
(wordt vervolgd)





